| Maarten.OVcentraal » Reisverslag buitenland | door Maarten Batenburg | ||
| Locatie: | Oostenrijk,Tirol,Salzburgerland | Datum: | 25-08-2001 |
| Vervoersmiddelen: | bus,trein,kabelbaan | Foto's: | nee |
OV in OostenrijkEen busritje van 1600 meter; omhoogIk ben op zomervakantie geweest in Oostenrijk. In de omgeving Zell am See / Kaprun, om precies te zijn. Uiteraard heb ik daarbij uitgebreid van het OV gebruik gemaakt, wat tot wisselende ervaringen leidt. De nu volgende plak tekst is vooral een complilatie van mijn ervaringen, niet noodzakelijkerwijs chronologisch.
Normaalspoor-trein
Vanaf Nederland reden we met de slaaptrein Donauwalzer naar München. Daar kwamen we aan
om 06:30, zondagochtend. Uit eerdere ervaringen wisten we al dat dit een alles-behalve rustig
tijdstip is. Het complete station staat vol met ICE's, Eurocity's, Talgo's (luxe slaaptreinen),
en andere lange afstandstreinen. Het krioelt er van de rugzak-toeristen. Vanaf Salzburg namen de lokale ÖBB-sneltrein, met de productnaam Cityshuttle. Het is een getrokken of geduwde trein bestaande uit drie rood-grijze rijtuigen. Hoewel de stoelen niet bijster comfortabel zijn, is de aankleding van de trein verder uitstekend. Gezeten aan de kop van het rijtuig, had ik een goed zicht op de tussendeur. Hij is te vergelijken met de tussendeur van de DM'90; gaan makkelijk open, en sluiten zichzelf daarna zachtjes. Opmerkelijk is echter dat de deur ook automatisch opent, als het electronisch oog een hand waarneemt in de buurt van de handgreep. Filmliefhebbers die What Lies Beneath hebben gezien, begrijpen wat ik bedoel.
Smalspoor-treinVan Zell am See naar Krimml loopt de Pinzgauer Bahn, een smalspoortje van 760 mm. De trein rijdt elke twee uur naar Krimml, ma-za aangevuld met elk uur tot Mittersill. Tot de rand van de Zeller-agglomeratie (wat heet...) rijdt ma-vr elk uur een pendeltreintje, waardoor een halfuurs-dienst ontstaat. De lange ritten worden gereden met een dieselloc en vier rijtuigen die prima in een museum passen; krap & een onrustige loop. Er rijdt een goederenwagon voor fietsen mee. De korte pendels rijden met een soort mini-wadloper, die ook te zien zijn in het Zillertal. Sommige ritten tot Krimml rijden met deze Waddie's met een aangekoppeld rijtuig.
De maximum snelheid is slechts 60, maar er zijn genoeg stukken waar maar 35 gereden wordt. De
ritduur van anderhalf uur is slopend bij warm weer, en het rijcomfort doet daar geen goed aan.
Hobbel-hobbel, Wiebel-schok-hots.
Bus
Het busvervoer is in Tirol/Salzburgerland niet ingewikkeld. Alle dorpen liggen immers in een dal,
en die zijn per definitie lang en smal. Je komt dus automatisch alle dorpen tegen. Zijdalen
worden aangedaan door buslijnen die vertrekken uit het hoofdal, waardoor een vertakt OV-net
ontstaat met een hoog kerstboom-gehalte.
De frequentie is akelig laag, een uurdienst is al een luxe. Als je kijkt naar het aantal
personen dat meegaat, is een vervierdubbeling soms best gerechtvaardigd. De bussen zelf zijn
best comfortabel. Sommige typen zijn bekend van Nederland, al zit er dan een veel stevigere
motor in, en dat is te horen ook.
Grossglockner Hochalpenstrasse
Er is een buslijn van Zell am See naar de Kaiser Franz Jozef Höhe. Het eerste ligt op
een hoogte van zo'n 790 meter, het laatste op 2.418 meter; een hoogteverschil dus van zo'n
slordige 1.600 meter. De bus doet er twee uur en tien minuten over. De bus arriveert met een vertraging van tien minuten uit Zell am See. Als we de buskaartjes inclusief tol betaald hebben, rijden we zelfs achteruit en stapt de chauffeur uit. Na zes minuten blijkt waarom. De praatzieke vrouw voorin was haar paraplu in een andere bus vergeten. Onze chauffeur neemt het 'estafette-stokje' van de uitrukkende bus over, en overhandigt dit aan de nu dolblije vrouw. Het is niet druk in de bus. Zo'n zes mensen, verdeeld over de eerste helft van het interieur. Bij het plaatsje Bruck komen er nog twee bij; de één zwaait hevig naar de bus, rent het stationsgebouw binnen, en komt even later naar buiten, haar echtgenoot meeslepend. Die dacht blijkbaar nog wel even naar de WC te kunnen.
Na Bruck komt het plaatsje Fusch an der Glocknerstrasse, volgens mij de enige plaats die
genoemd is naar een door die plaats lopende straat. Rotterdam aan het Hofplein? Na zo'n vijf minuten kom je plotseling weer in de drukte, en draait de bus een parkeerterrein op. Hier is het wildpark Ferleiten gevestigd. De vrouw mét paraplu vraagt aan de chauffeur of we er zijn. "Nein nein, jetzt geht los!" antwoord hij quasi-verontwaardigd. En inderdaad, zodra we de tolpoorten zijn gepasseerd (waar de chauffeur gewoon toegang moet betalen, niks geen OV-uitzondering) stijgt het hellingspercentage net zo snel als de bus. De bus rijdt langs de oostwand van het dal omhoog. De snelheid is er direct uit. De chauffeur pakt de microfoon en ontpopt zich als een heuse toergids. Zo verteld hij dat er 34 haarspelbochten zijn. Dat klinkt misschien niet veel, maar geloof me: je wordt er helemaal kierewietel van. Al na de zesde bocht passeer je de boomgrens.
De bus bestaat uit een luxe Setra, een soort Mercedes Integro, maar dan wat
strakker in interieur en exterieur. De bagagerekken zijn voorzien van luchtblazers, die in de
weldadig koele airco-lucht trouwens niet nodig zijn. Straks op de terugweg hebben we wel een
Integro, die wat minder luxe is; er zijn bijvoorbeeld geen bagagerekken en blazers.
We halen regelmatig fietsers in die óf nagenoeg stilstaan met het zweet op hun kop, óf met een
noodgang naar beneden sjeezen. Ook veel motorrijders, hier en daar stilstaand om van het
uitzicht te genieten. En wat voor uitzicht! Na een half uur parkeert de bus zich bij een
cafeetje, waar de mogelijkheid is tot toiletbezoek. Vanaf hier kun je even rustig de omgeving in
je opnemen, zonder telkens je nek te hoeven draaien, omdat je weer door zo'n Kehre gaat. Het wordt nu zaak van het ene dal naar het andere dal te rijden, en dat kan hier alleen maar door over de scheidende berg heen te rijden. Nog verder omhoog dus. Na nog een half uur ben je op het hoogtepunt van de reis, en ga je toch echt een stukje door de smalle Hochtortunnel, waarin je zeker geen andere bus moet tegenkomen. Vlak voor de tunnel is een parkeerplaatsje waar ouders en hun kinderen met de plakken sneeuw en ijs spelen. De grond is hier al lang niet meer begroeid, maar uit grove en scherpe stukken gebroken rots. Het lijkt bij tijd&wijlen wel een soort onbewoonbare planeet. Aan de andere kant van de tunnel gaat het meteen steil naar beneden. We hebben uitzicht op de vele haarspeldbochten in de zig-zaggende weg onder ons. De weg is zes meter breed, in de bochten tien meter, voor de bussen. We zijn nu aan de andere kant van de Alpen, waar onder andere Heiligenblut en Lienz liggen; Bondsstaat Karinthië. Het dalen geeft even rust voor mijn oren. Als de luchtdruk zo daalt, moet je vaak slikken of gapen om je Buis van Eustachius te openen, en zo de luchtdruk aan beide zijden van je trommelvlies gelijk te stellen. Maar dat helpt niet echt als je -zoals ik- zwaar verkouden bent, en dus je Buis van Eustachius vol met snot zit. Ik zat dan ook half-doof en met oorpijn in de luid grommende bus. We komen weer onder de boomgrens. We volgen de curve in de berghelling naar het westen; de weg heet vanaf hier officieel de Gletscherstrasse. Hier hebben we voor het eerst zicht op de Grossglockner, met 3.798 meter de hoogste berg van Oostenrijk en een behoorlijke attractie. De berghelling voor ons is getekend door een galerij waarin onze bus over enkele minuten ook zal rijden. Aan het eind van de galerij bevind zich het eerste plateau met een parkeerterreintje erop. Het is hier behoorlijk druk. Er zijn hier veel gebouwen op de berghelling gebouwd, waaronder voornamelijk restaurantjes, maar ook een verschrikkelijk lelijke parkeergarage. Behalve de bus uit Zell am See komt hier ook de lijndienst uit Heiligenblut, en rijdt er een 10-minuten pendeldienst naar de verder gelegen parkeerterreinen (gereden door een lage-vloers 10 meter Mercedes O405, voor de liefhebbers). Het uitzicht is hier overweldigend. Het is weliswaar geen Grand Canyon, maar toch. De Grossglockner en zijn iets lagere broertje torenen hoog boven het stuwmeer (Margaritzenstausee) en de ijs- en sneeuwmassa in het lager gelegen dal. De met een kabeltreintje bereikbare Pasterzegletsjer maakt het feest compleet. Na een maaltijd en een bezoek aan het informatiecentrumpje gaan we met het kabeltreintje naar de gletsjer. Deze is in de laatste decennia zo geslonken, dat het nog een wandeling van een kwartiertje is om van het dalstation werkelijk op het 'bewegende' ijs te komen. Zo hard gaat zo'n gletsjer gaat natuurlijk niet (ik meen 78 cm/jaar), maar het is wel grappig. Het gedeelte waar de meeste mensen komen is vuil van het meegelopen zand. Als je de daardoor ontstane modderlaag wegveegt, zie je eronder weinig substantieels, het is doorzichte rots: ijs. Er waar je ook om je heenkijkt, overal steken de honderden meters hoge rotswanden omhoog. Op de terugreis stapt een familie in met twee kinderen. Ze moeten naar Heiligenblut. Helaas, de laatste bus naar dáár rijdt op zaterdag wat vroeger. De chauffeur zet ze af bij de afslaande weg naar Heiligenblut, en wenst ze sterkte bij de fikse bergwandeling van een uur, als het niet meer is. Bovendien trekt de lucht dicht, het lijkt er op alsof het gaat regenen. Veel plezier...
Kaprun Hochgebirgs-StauseenHet plaatsje Kaprun ligt aan het begin van een zijdal. In het dorp is nog het tracé te herkennen van een vroegere tram- of spoorlijn uit Bruck. Nu rijdt er slechts nog een uursdienst vanuit Zell am See van de Postbus. Er zijn nog wel wat andere lijnen, waaronder die van de Bahnbus, maar de frequentie daarvan laat te wensen over. Overigens is ook een uursdienst schandalig laag, in Nederland zou met zulke reizigersaantal allang minstens een kwartierdienst gereden geworden. We moesten dan ook mensen achterlaten bij haltes. Het is dus ook in het buitenland geen koek&ei. Na het drukke centrum rijdt de bus het zijdal in, langs de Kapruner Kraftwerken, de Maiskogel Seilbahn en Kitzsteinhornbahn en de voormalige U-Alpin (inderdaad, dát treintje, waarover later meer).
Via een kronkelige weg kom je aan het openbare eind. Auto's moeten de oerlelijke parkeergarage
in, bussen mogen nog even verder naar het Kesselfall Alpenhaus. Hier moet iedereen kaartjes kopen
voor de vervolgreis per bus. Zo'n verplicht Transferium werkt dus wel! Rond het Alpenhaus (een
restaurant) staat een stoet Postbussen klaar. De weg naar boven bestaat uit slechts één rijbaan
en we moeten dan ook wachten op de tegenliggers. De weg is met stoplichten beveiligd, en er is
zelfs een heuze verkeersleiding. Als de neergaande bussen voorbij zijn, gaan we met drie bussen
in een stoetje de enkelsporige weg op. De weg verdwijnt even in een dicht bos, maar dan rijden
we een tunnel in. Als we de tunnel uit zijn, moeten we overstappen op iets dat het Lärchwand Schrägaufzug heet, en zich het best laat omschrijven als een groot platform dat rechstandig de berg oprijdt. De gemiddelde helling is 51%, de grootse 81%. De inhoud van de drie bussen kan in één keer mee: het platform is oorspronkelijk gebouwd -en wordt nog steeds gebruikt- voor het vervoer van goederen (lees: complete vrachtwagens) en personen naar de stuwmeren, die alleen via dit 'ding' te bereiken zijn. 431 meter hoger staan weer bussen klaar. Deze rijden tot aan de stuwmeren, nog weer zo'n vierhonderd meter hoger. De wederom enkelsporige weg voert door sappige bergweiden (almen), diverse tunnels, en griezelige afgronden. Aan linkerkant is het eerste stuwmeer te zien met de voor-de-hand-liggende naam Stausee Wasserfallboden. Het water kleurt helder turkwaas tegen de donkergroene berghellingen. Halverwege deze etappe is een inhaalplek, waar we wachten op de tegemoet komende bussen die we in de verte al op de berghelling zien rijden. Er is hier ook een halte voor wandelaars, waarbij het altijd de achterste bus is die halteert. Als we verder rijden komen we langs diverse haarspeldbochten, waarvan sommige recht achter/onder de tweede, 112 meter hoge stuwdam. Overigens is het niet een erg hoge dam, de Zillergründl Staumauer bij Mayrhofen is ruim 150 meter hoog, met een kromming in de 'hoge' zijde, waardoor je een beetje over het randje moet hangen wil je bovenop de voet zien... Eenmaal boven aangekomen, kun je beide bovenste stuwdammen bewandelen. Het bovenste meer, Stausee Mooserboden, wordt namelijk afgeschermd door twee dammen, van elkaar gescheiden door een grote rotsformatie in het midden, de Höhenburg (2.108 meter). De belangrijkste dam is zoals gezegd 112 meter hoog, al lijkt het aan de waterzijde slechts 15 door de stand van het water. Het uitzicht is zoals gebruikelijk op deze hoogtes (2.040 meter) geweldig. In & op de rots tussen beide dammen is een informatiecentrum, en de werkplaats van de Kapruner Kraftwerken, het energiebedrijf dat de eigenaar is van dit hele gebeuren. Aan de waterzijde is de betonnen rand tussen beide dammen opvallend lager. Er direct achter is een soort verdiepte betonweg, waar je als voetganger met een brug overheen loopt. Typisch genoeg loopt de weg zonder hekwerk over in het 120 meter diepe dal aan de andere kant. Het duurt me niet lang te bedenken wat dit is: Een reusachtige overloop zoals in een gootsteen. Mocht de normale afvoer naar de waterturbines bij Kaprun verstopt zitten en de omringende ijs en sneeuw collectief in vloeibare toestand overgaan, dan verandert deze vijf meter brede goot is een kolkende wildwaterbaan.
Na een uur rondgekeken te hebben en na een beklimming van de Höhenburg, wandelen we rustig naar
beneden via een voetpad. Diverse keren zien we het bus-drietal naar boven of beneden kronkelen,
slechts drie gele streepjes afstekend tegen de grote onbegroeide hellingen waar alleen mos en
enige struiken gedijen. U-Alpin
Hier eindigt het OV-gedeelte.
In Nederland wordt een rampgebied -en daar hebben we de laatste jaren helaas geen gebrek aan-
hermetisch afgesloten. We gooien er een triplex wand omheen, laten dat door kinderen
beschilderen en laten dat dan jaren zo staan. Zoniet bij de Oostenrijkers. Al een dag na de ramp
mochten wandelaars en ski-ers (er is boven een bekend eeuwige sneeuwgebied) weer omhoog,
weliswaar met de parallel-lopende kabelbaan. Geld voor alles. Elke herinnering aan de ramp is
zorgvuldig uitgewist. Je zal vergeefs zoeken naar enig tijdelijke herdenksteen, plakaat, of
zelfs maar een aangeplakt A4'tje. Op de meeste (verkeers-)borden, plattegronden en wandelroutes
is de naam afgeplakt, of weggekrast. Dit maakt het eigenlijk nog liguberder dan het al is.
Daar tegenover staat dat op ansichtkaarten -die echt overal te koop zijn- het treintje nog
steeds vrolijk prijkt.
Boven aangekomen met twee kabelbanen (overstappen), zijn er restaurantjes en kabelbanen nóg
verder omhoog. Één gebouw staat er wat los bij, hoewel je er doorheen moet lopen richting de
gondelbaan naar de top en er kaartjes te koop zijn. Het duurde even voordat ik besefte dat dit
het topstation was de U-Alpin. Een wand van de centrale hal heeft twee glazen ruiten met elk
een leeg halletje er achter. De andere zijde van deze voormalige wachtruimten is afgeschermd
met een discreet gordijntje, de perrons afschermend. Dit is het gebouw waar de verstikkende
rook de tunnel uitkwam. Dit is het gebouw dat niemand ooit meer bereikte.
Hoe dan ook, met de derde kabelbaan kom je bovenop de Kitzsteinhorn. De kabelbaan wordt
gedragen door Europa's hoogtse kabelbaanmast, zo'n 105 meter. Hangend aan die centimeters dikke
kabel heb je een prima uitzicht op het rauwe landschap. Het lijkt verdorie wel IJsland, grote
en kleine rotsen: allerlei grijstinten te midden van de glooiende sneeuwvlakte. Wat troosteloos.
Het is met dit lege landschap moeilijk te schatten hoe hoog je hangt, er is dat een bekende
grootte heeft om mee te vergelijken. Maarten Batenburg, 25 augustus 2001
|